Essay: Digitale verzuiling – ieder z’n eigen bubbel

In tijden van een pandemie, waarin er veel onzekerheden zijn en er angst heerst voor het onbekende en onzichtbare, vieren complottheorieën hoogtij. Ook groeit het wantrouwen richting de overheid en de reguliere media. Dit bracht Arjen Lubach (2020) tot het maken van een Zondag met Lubach uitzending over de online fabeltjesfuik. Hij beargumenteerde daarin dat de manier waarop sociale media werken (mensen stimuleren om steeds meer en meer te blijven klikken) ervoor zorgt dat mensen in een fuik komen te zitten: een digitale bubbel waarin je steeds meer dezelfde informatie te zien krijgt, waardoor het steeds lastiger wordt om daar buiten te denken. Dit versterkt bijvoorbeeld het geloof in bepaalde complot- theorieën. Deze uitzending bracht me aan het denken over de verzuiling, een term die we vooral kenden in relatie tot de vorige eeuw. Verzuiling blijkt echter niet iets te zijn van die periode, want we zitten er middenin.

Mijn stelling is namelijk dat sociale media een nieuwe vorm van verzuiling hebben ge- creëerd, waarvan maar weinig mensen zich bewust zijn. De gevolgen daarvan zijn schadelijk voor de maatschappij. Hieronder zal ik beargumenteren waarom sociale media en verzuiling met elkaar in verband kunnen worden gebracht, via de positie en vermeende functie die so- ciale media heeft in een seculiere maatschappij. Dit onderwerp wordt in dit essay met een godsdienstsociologische bril bekeken.

Secularisatie kan op verschillende manieren worden omschreven en wordt ook op verschillende manieren gebruikt. Experts zijn het niet eens over een sluitende definitie. Dekker en Stoffels (2011) geven aan dat de term secularisatie een ‘sensitizing concept’, dat zich meer richt op het ontwikkelen van een bepaalde gevoeligheid, dan op het vastleggen van een af- gebakende definitie. Ze omschrijven secularisatie als ‘een proces waardoor (aspecten van) het leven en samenleven van de mensen onttrokken worden aan de overheersing of begeleiding van godsdienstige instituties en symbolen’ (Dekker & Stoffels, 2011, p. 121). Dat wil zeggen dat de mensen minder godsdienstig zijn, religie minder invloed heeft op de samenleving doordat deze zich terugtrekt uit publieke organisaties en de godsdienst zelf verandert. Deze veranderingen zijn in Nederland duidelijk te zien, zoals in de teruggang van het aantal kerkgangers. Dat mensen minder godsdienstig worden, betekent echter niet meteen dat ze dan ook niks met spiritualiteit en zingeving hebben. In dit essay volg ik de conclusie van Dekker en Stoffels (2011), namelijk dat de mens zowel op godsdienstige als niet-godsdienstige wijze bezig kan zijn met zingeving en ordening van het leven. Zelf voeg ik daaraantoe dat de mens wel van nature een zinzoekend wezen is. Al vanaf de oudheid probeert de mens betekenis te geven aan datgene wat hem overkomt en verhalen te vertellen over o.s. de oor- sprong van het leven en het leven na de dood. Deze zingevingssystemen staan in onze huidige maatschappij onder druk. Er is een gat ontstaan van betekenisgeving, omdat de religie zoals deze jarenlang in functie was, niet meer relevant voelt voor veel mensen.

Mensen proberen dat gat te vullen met allerlei dingen, bijvoorbeeld met technologie. Technologie is een zingevingssysteem geworden. Denk bijvoorbeeld aan de rijen voor de Applestore bij de lancering van een nieuw product, of de cultus die is ontstaan rond Steve Jobs. Deze verering van technologische ontwikkeling sluit naadloos aan bij de modernisering van 1 de maatschappij, waarbij traditionele structuren en een agrarische samenleving plaats heb- ben gemaakt voor een industriële, moderne samenleving. Hierin ligt de focus op techniek, de ratio en het individu (Dekker & Stoffels, 2011). Mensen willen graag, ook in de moderne samenleving, betekenis geven aan hun bestaan en hebben behoefte aan een perspectief op een betere en gelukkigere wereld. Op dit moment wordt men voorgeschoteld dat geluk te bereiken is via mooiere apparaten, meer volgers en meer connecties. Op grote levensvragen is het sociale media echter nog niet gelukt om een bevredigend antwoord te geven. Nu is de behoefte aan verbinding een fundamenteel onderdeel van het menszijn. Je zou daarom kunnen beargumenteren dat sociale media bijdraagt aan het in contact brengen van mensen, en daarin een succesvol zingevingssysteem biedt. Deels is dat waar, via het internet worden er waardevolle sociale verbindingen gesloten en onderhouden. De wereld van de sociale media heeft echter een belangrijke valkuil: het is erg gemakkelijk om je net wat beter of anders voor te doen dan in de fysieke wereld. Daardoor ontstaat door individuele acties een collectieve schijnwereld. Inmiddels wordt de negatieve invloed van deze schijnwereld, met name op jongeren, steeds meer erkend. Natuurlijk wordt social media inmiddels ook ingezet tegen deze schijnwereld om juist positieve berichten te delen. Desalniettemin is de maatschappij gegijzeld door de techbedrijven: wie herkent immers niet het fijne gevoel dat wanneer je iets plaatst in de online wereld, je daardoor erkend en gezien wordt via positieve berichten en likes? Of dat je eigenlijk je sociale media accounts wil opzeggen, maar dat toch niet doet omdat je bang bent dat je teveel mist?

Social media zijn dus succesvol in het behouden van hun leden, mede omdat zij (bewust of onbewust?) functies overnemen die volgens O’Dea (Dekker & Stoffels, 2011) gekoppeld zijn aan godsdienst. Zo kan sociale media net als godsdienst troost en steun bieden, wanneer ie- mand zijn of haar moeilijke ervaringen deelt en troostende reacties krijgt van mede-gebruikers. Sociale media geven vorm aan normen en waarden via verhalen en filmpjes van anderen en hebben invloed op het vormen van je identiteit, net als godsdienst dat doet. Als gebruiker kies je immers bewust welk deel van je identiteit (of verzonnen identiteit) je laat zien aan de rest van de wereld. In sommige gevallen kan sociale media juist de plek zijn waarop iemand zichzelf kan zijn, en een godsdienstige omgeving juist een plek zijn waar iemand niet zichzelf kan zijn. In de fysieke wereld kunnen mensen zich ook anders voordoen dan ze zijn, en daarmee een schijnwereld creëren. Op sociale media ligt dit echter meer voor de hand, omdat je hoe dan ook een filter gebruikt: of het nu een filter is op een foto, of een meer een mentale filter: wat zet ik online en wat niet? Sociale media bieden een wereld waarin met name kinderen en jongeren kunnen socialiseren: zichzelf ontwikkelen in omgang met anderen en in relatie tot anderen (Dekker& Stoffels, 2011). De mogelijkheden om jezelf met an- deren te vergelijken, en daarbij te focussen op wat anderen beter lijken te kunnen of hebben zijn eindeloos en daarmee negatief voor de ontwikkeling van kinderen, maar ook voor het zelfbeeld van talloze volwassenen.

Van de individuele ‘vergelijkingskant’ van sociale media stappen we nu over naar de groeps- vorming die online plaatsvindt. Groepsvorming heeft allerlei functies: het zorgt ervoor dat mensen het gevoel hebben dat ze ergens bij horen, het geeft een stuk identiteit aan de le- den en het gedrag van de leden wordt in meer of mindere mate door de groep bepaald (Dekker & Stoffels, 2011). Bij het vormen van een groep hoort echter dat mensen bewust of onbewust worden buitengesloten van een bepaalde groep. Dit is een logisch gevolg van de in- en uitsluiting die nodig is om überhaupt een groep te vormen, maar dit kan natuurlijk lei- den tot problemen. Met de komst van de sociale media en het gemak waarop mensen, ook jonge kinderen, verbonden zijn met de digitale wereld, zou je denken dat mensen meer verschillende meningen en verhalen lezen, en meer verschillende groepen zien dan zonder sociale media. De digitale wereld ligt immers voor je open: je staat niet alleen met je eigen familie of vrienden in contact, maar kunt met allerlei soorten mensen verbinden en lid worden van groepen met mensen van over de hele wereld, bijvoorbeeld rondom een bepaalde hobby of beroep. Er is echter nog een andere manier van groepsvorming op sociale media.

Social media is namelijk het meest succesvol wanneer mensen steeds meer klikken en consumeren. Om dit voor elkaar te krijgen kom je als gebruiker in een bubbel terecht van algoritmes, waarin datgene wat je ziet beïnvloed wordt door wat je eerder heb aangeklikt. Hierop kan een begrip worden toegepast dat door Berger in de jaren 60 wordt omschreven: de geloofwaardigheidsstructuur (Dekker & Stoffels, 2011). Gebruikers van sociale media komen in ‘zuilen’ terecht doordat ze steeds op dezelfde soort inhoud klikken, om hun eigen waardes en overtuigingen overeind te laten blijven door sociale bevestiging en ondersteuning. En wanneer ze in zo’n digitale zuil zitten (waarvan het ook moeilijk is te definiëren waar hij start en eindigt), blijven ze in die geloofwaardigheidsstructuur en zullen de meeste men- sen niet opeens een totaal ander denkbeeld opzoeken. Hoe sterker deze bubbel met gelijk denkenden, hoe minder contact met andersdenkenden, hoe winstgevender dat is voor de techbedrijven. Zij hebben dus baat bij digitale verzuiling, die niet eens bewust plaatsvindt. Het in stand houden en versterken van structuren die bepaalde opvattingen beschermen was ook de drijvende kracht achter de oorspronkelijke verzuiling in de vorige eeuw in Nederland (Dekker & Stoffels, 2011).

Het grote verschil met de digitale verzuiling ligt in het al dan niet aanwezige bewustzijn van de zuilen en een enorme rol dit speelt in de (ver)vorming van iemands wereldbeeld. In de tijd van de verzuiling van vorige eeuw wist men dat een katholiek niet naar de protestantse bakker moest gaan, of andersom. Tegenwoordig weet men figuurlijk gezien niet dat er een katholieke bakker is en dat deze hele andere broodjes bakt, omdat de enige bakker die je kent de protestantse bakker is, die zich in jouw bubbel bevindt. Mensen zijn zich er tegenwoordig niet of nauwelijks bewust van dat de wereld groter én diverser is dan de kunstmatige en door algoritmes bepaalde afspiegeling die zij via hun apparaten tot zich nemen. Tegelijkertijd is de kracht van de technologie zo groot dat, als je enigszins mee wilt komen in de maatschappij, een toegangsticket tot social media of andersoortige grootschalige IT functionaliteiten noodzakelijk lijkt. Daarbij is het gemakkelijker om in de online wereld grillig te communiceren, omdat de non-verbale informatie vaak ontbreekt, en is er weinig ruimte voor nuance. Dit maakt dat onbewuste digitale verzuiling bijdraagt aan polarisatie én aan een vertekend wereldbeeld. De samenleving is namelijk niet simpel of gepolijst met filtertjes, maar deze is complex en ruw.

Concluderend kunnen zeggen dat de processen van modernisering en secularisatie hebben geleid tot meer focus op technologische vooruitgang en het individu en minder focus en zelfs een afname van godsdienstigheid, terwijl de behoefte 3 aan zingeving en identiteitsontwikkeling blijft bestaan. Met de plek die sociale media heeft ingenomen in de maatschappij proberen ze een nieuw zingevingssysteem te bieden, wat deels succesvol is wat betreft het maken van nieuwe verbindingen. Het blijven echter commerciële partijen, die baat hebben bij een nieuwe vorm van verzuiling, waardoor gebruikers van sociale media niet alleen een schijnwereld zien, maar ook maar een klein gedeelte van de wereld tot zich nemen, omdat ze in een bubbel zitten. Het in stand houden van die bubbels is net als het in stand houden van de zuilen in de vorige eeuw is nodig om de eigen normen en waarden te beschermen. Dit leidt er echter ook voor dat mensen minder contact hebben met andersdenkenden, en niet of beperkt weet hebben van de bubbel. Dit versterkt de al bestaande polarisatie in de samenleving.

De gouden oplossing voor al wat net geschreven is? Ik weet het niet, maar zolang we in onze bubbels blijven, komen we het antwoord in ieder geval niet te weten.

Bibliografie

Dekker, G. & Stoffels, H. C. (2011). Godsdienst en samenleving: een introductie in de gods- dienstsociologie. Uitgeverij Kok: Kampen.

Lubach, A. (Presentator). (2020, 18 oktober). De online fabeltjesfuik. In Zondag met Lubach. Geraadpleegd op 19 februari 2021, van https://www.npo3.nl/zondag-met-lubach/18-10- 2020/VPWON_1314457

Dit essay is geschreven als onderdeel van het vak godsdienstsociologie en -psychologie aan de Fontys Hogeschool Theologie Levensbeschouwing. 

Lesideeen

  1. Kijk met de klas de fabeltjesfuik van Zondag met Lubach en ga aan de hand van dit fragment in gesprek over de gevaren van deze algoritmes.
  2. Laat leerlingen zelf in een ‘fabeltjesfuik’ belanden door ze steeds te laten doorklikken bij YouTube filmpjes.
  3. Discussier over stellingen als:
    – technologie drijft ons verder uit elkaar.
    – online is waarheid niet van onwaarheid te onderscheiden.
    – iedereen leeft in zijn eigen bubbel